Solvay
Geïntegreerd jaarverslag 2019

Grondslagen voor de financiële verslaggeving

Zoals beschreven in Grondslagen van verslaggeving heeft de Groep IFRS 16 toegepast vanaf 1 januari 2019 op basis van de aangepaste retroactieve methode. Hierna geven we de grondslagen voor financiële verslaggeving weer die in 2019 worden toegepast (IFRS 16 Leaseovereenkomsten). Voor de grondslagen voor financiële verslaggeving die in 2018 werden toegepast (IAS 17 Leaseovereenkomsten) zie het jaarverslag 2018. Transitie-invloeden worden besproken in de Grondslagen van verslaggeving.

Definitie van een leaseovereenkomst

Bij het aangaan van een contract, wat meestal samenvalt met de datum waarop het contract wordt ondertekend, moet de Groep beoordelen of het contract een leaseovereenkomst is of bevat. Een contract is of bevat een leaseovereenkomst indien het contract in ruil voor een vergoeding het recht verleent gedurende een bepaalde periode de zeggenschap over het gebruik van een geïdentificeerd actief uit te oefenen.

Een actief wordt gewoonlijk geïdentificeerd doordat dit uitdrukkelijk in een contract is gespecificeerd. Een actief kan echter ook worden geïdentificeerd doordat dit impliciet wordt gespecificeerd op het moment dat het voor gebruik door de klant beschikbaar wordt gesteld. Indien de leverancier het materiële recht heeft het actief te vervangen, dan is het actief niet geïdentificeerd. Een materieel substitutierecht betekent dat (a) de leverancier in de praktijk over de gehele gebruiksperiode over de mogelijkheid beschikt om activa te substitueren, en (b) de leverancier een economisch voordeel heeft bij de uitoefening van dit recht.

Om te beoordelen of een contract het recht verleent om de zeggenschap over het gebruik van een geïdentificeerde actief uit te oefenen, moet de Groep beoordelen of het gedurende de gehele gebruiksperiode:

  • het recht heeft om vrijwel alle economische voordelen uit het gebruik van het geïdentificeerde actief te verkrijgen; en
  • het recht heeft om het gebruik van het geïdentificeerde actief te bestemmen. Dit is over het algemeen het geval wanneer de Groep het besluitvormingsrecht heeft over de gebruikswijze en het gebruiksdoel van het actief.

Leaseperiode

De Groep bepaalt de leaseperiode als de niet-opzegbare periode van een leaseovereenkomst, samen met:

  • de periodes die onder een optie tot verlenging van de leaseovereenkomst vallen als het redelijk zeker is dat de Groep deze optie zal uitoefenen; en
  • de periodes die onder een optie tot beëindiging van de leaseovereenkomst vallen als het redelijk zeker is dat de Groep deze optie niet zal uitoefenen.

In haar beoordeling neemt de Groep onder meer de volgende factoren in overweging:

  • contractvoorwaarden voor de optionele periodes in vergelijking met marktconforme leaseprijzen;
  • significante verbeteringen aan het geleasede actief die tijdens de looptijd van het contract worden aangebracht (of naar verwachting zullen worden aangebracht);
  • aan de beëindiging van de leaseovereenkomst verbonden kosten, zoals verhuiskosten, kosten voor het identificeren van een ander onderliggend actief dat aan de behoeften van de Groep beantwoordt, kosten voor het integreren van een nieuw actief in de bedrijfsactiviteiten van de Groep en boetes voor het beëindigen van de leaseovereenkomst;
  • het belang van dat onderliggende actief voor de bedrijfsactiviteiten van de Groep, en of er geschikte alternatieven beschikbaar zijn;
  • aan de uitoefening van de optie verbonden voorwaarden (d.w.z. wanneer de optie alleen kan worden uitgeoefend indien aan één of meer voorwaarden is voldaan) en de waarschijnlijkheid dat deze voorwaarden zich zullen voordoen; en
  • in het verleden bestendig gevolgde gedragslijnen.

Met een gebruiksrecht overeenstemmend actief en leaseverplichting

De Groep neemt een met een gebruiksrecht overeenstemmend actief en een leaseverplichting op op de aanvangsdatum. Dit is de datum waarop de lessor het actief aan de Groep beschikbaar stelt.

Met een gebruiksrecht overeenstemmend actief

Het met een gebruiksrecht overeenstemmend actief wordt initieel gewaardeerd tegen kostprijs, bestaand uit:

  • het bedrag van de eerste waardering van de leaseverplichting,
  • alle op of voor de aanvangsdatum verrichte leasebetalingen, verminderd met alle ontvangen lease-incentives, en
  • alle door de Groep gemaakte initiële directe kosten.

Na de aanvangsdatum wordt het met een gebruiksrecht overeenstemmend actief gewaardeerd tegen kostprijs verminderd met eventuele geaccumuleerde afschrijvingen en geaccumuleerde bijzondere waardeverminderingsverliezen. Met een gebruiksrecht overeenstemmende activa worden afgeschreven conform de lineaire afschrijvingsmethode, vanaf de aanvangsdatum tot (a) het eind van de gebruiksduur van het onderliggende actief, in het geval de eigendom van het onderliggende actief aan het eind van de leaseperiode wordt overgedragen aan de Groep, of de leaseovereenkomst een aankoopoptie bevat waarbij het redelijk zeker is dat de Groep deze optie zal uitoefenen, of in alle overige gevallen (b) het einde van de gebruiksduur of, indien eerder, het einde van de leaseperiode.

Leaseverplichting

De leaseverplichting wordt initieel gewaardeerd tegen de contante waarde van de leasebetalingen die op aanvangsdatum niet zijn verricht, gedisconteerd op basis van de impliciete rentevoet van de leaseovereenkomst of, indien de rentevoet niet op eenvoudige wijze kan worden bepaald, de marginale rentevoet voor de betreffende Groepsentiteit. Leasebetalingen die in de waardering van de leaseverplichting zijn opgenomen, bestaan uit:

  • vaste betalingen verminderd met eventuele te ontvangen lease-incentives;
  • variabele leasebetalingen die van een index of rentevoet afhankelijk zijn en die bij eerste opname op basis van de index of rentevoet op de aanvangsdatum worden gewaardeerd;
  • bedragen die naar verwachting door de Groep verschuldigd zullen zijn uit hoofde van restwaardegaranties;
  • de uitoefenprijs van een aankoopoptie indien het redelijk zeker is dat de Groep deze optie zal uitoefenen; en
  • betalingen van boeten voor het vroegtijdig beëindigen van de leaseovereenkomst, indien het redelijk zeker is dat de Groep deze optie tot vroegtijdige beëindiging zal uitoefenen.

Servicecomponenten (bijv. nutsvoorzieningen, onderhoud, verzekeringen enz.) worden niet in de waardering van de leaseverplichting meegenomen.

Na de aanvangsdatum moet de leaseverplichting gewaardeerd worden door:

  • de boekwaarde te verhogen om de rente op de leaseverplichting weer te geven;
  • de boekwaarde te verminderen om de verrichte leasebetalingen weer te geven; en
  • de boekwaarde te herwaarderen om elke herbeoordeling of wijziging van de leaseovereenkomst of de invloed van een herziene index of rentevoet weer te geven.

In € miljoen

Terreinen

Gebouwen

Transport­middelen

Industriële uitrustingen

Andere materiële vaste activa

Totaal

Brutoboekwaarde

 

 

 

 

 

 

Op 31 december 2018

0

0

0

0

0

0

Invoering van IFRS 16

18

170

140

93

8

428

Overboeking van materiële vaste activa (financiële leaseovereenkomsten onder IAS 17)

 

6

 

44

–4

46

Toevoegingen

1

45

54

16

2

118

Wisselkoersverschillen

1

2

2

 

 

5

Andere

–2

–8

–6

 

1

–15

Overboeking naar activa aangehouden voor verkoop

 

–5

–6

–1

 

–11

Op 31 december 2019

18

209

185

153

7

571

Cumulatieve afschrijvingen

 

 

 

 

 

 

Op 31 december 2018

0

0

0

0

0

0

Overboeking van materiële vaste activa (financiële leaseovereenkomsten onder IAS 17)

 

–4

 

–8

 

–12

Afschrijvingen

–1

–49

–50

–9

–3

–113

Overboeking naar activa aangehouden voor verkoop

 

6

5

–11

 

 

Op 31 december 2019

–1

–47

–45

–28

–3

–124

Nettoboekwaarde

 

 

 

 

 

 

Op 31 december 2018

0

0

0

0

0

0

Op 31 december 2019

16

162

139

125

4

447

De Groep huurt voornamelijk gebouwen, die zowel kantoorgebouwen als opslagplaatsen omvatten. Deze leaseovereenkomsten zijn over het algemeen langlopende leaseovereenkomsten en kunnen verlengingsopties omvatten.

Daarnaast huurt de Groep transportmiddelen, bestaande voornamelijk uit treinstellen en containers om de producten van de Groep te vervoeren.

Industriële uitrustingen bestaan voornamelijk uit activa gebruikt voor nutsvoorzieningen.

De leaseovereenkomsten worden in principe onderhandeld door de lokale teams, en omvatten een grote verscheidenheid aan verschillende bepalingen en voorwaarden. Vele leaseovereenkomsten omvatten verlengingsopties en/of beëindigingsopties die de Groep operationele flexibiliteit verstrekken. Dergelijke opties worden in rekening genomen bij de bepaling van de leaseperiode en de leaseverplichting wanneer het redelijk zeker is dat deze zullen worden uitgeoefend.

Als de Groep zijn verlengingsopties zou uitoefenen die momenteel niet worden opgenomen in de leaseverplichting, zou de contante waarde van de bijkomende betalingen € 96 miljoen bedragen per 31 december 2019.

Afgesloten leaseovereenkomsten die nog niet gestart zijn, bedragen € 123 miljoen en hebben voornamelijk betrekking op een warmtekrachtkoppelingscentrale in Duitsland, een gebouw in Lyon en industriële uitrustingen in de Verenigde Staten.

De totale kasuitstromen voor leaseovereenkomsten bedragen € 133 miljoen, waarvan € 110 miljoen betrekking heeft op betalingen van de leaseverplichtingen en € 23 miljoen op interestkosten. Informatie met betrekking tot de leaseverplichtingen (€ 470 miljoen) kunnen geraadpleegd worden in toelichting F36 Nettoschuld. Informatie met betrekking tot de financiële kosten op de leaseverplichtingen worden verder beschreven in toelichting F6 Netto financieringskosten.